CURSUS LANDBOUWTREKKERS

HOOFDSTUK XI — ELEKTRISCHE INSTALLATIE

 

Paragraaf 51

STARTMOTOR (Afb. A 54)

 

Verbrandingsmotoren kunnen niet zo eenvoudig als b.v. een elektromotor of stoommachine gestart worden maar moeten met een hulpmiddel aan het draaien gebracht worden. Bij het starten moet de weerstand die ontstaat door de compressie, de zuigerwrijving en de wrijving van de drijfstang en krukaslagers overwonnen worden. Ook de smering- en motortemperatuur spelen hierbij een grote rol, daar bij een sterk afgekoelde motor de lagerwrijving aanmerkelijk groter is dan wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is. Voor het starten van een motor is het ronddraaien zonder meer niet genoeg; dit ronddraaien moet met een bepaald toerental per minuut gebeuren. Bij een mengselmotor zal namelijk pas bij een behoorlijk toerental een goed mengsel van brandstof en lucht worden aangezogen. Bij de dieselmotor is een hoog starttoerental nodig om de noodzakelijke ontstekingstemperatuur (420 ° C.) in de verbrandingsruimte te krijgen.

Van de verschillende startmogelijkheden die er zijn wordt voor de landbouwtrekker de elektrische startmotor het meest aangewend. De hiervoor benodigde accu is bij de meeste trekkers al aanwezig voor ontsteking, verlichting enz. De koppeling tussen starter en motor vindt plaats d.m.v. een tandkrans op het vliegwiel waarmee het kleine rondsel van de startmotor in aangrijping gebracht kan worden.

De startmotor werkt met behulp van gelijkstroom.

Wanneer door een wikkeling welke om een weekijzeren kern is aangebracht een elektrische stroom wordt gestuurd ontstaat in deze kern een magnetisch veld waarvan de krachtlijnen loodrecht op de stroomrichting staan. Is de stroomrichting zoals in fig. 1 is aangegeven, dan vormt zich op de bovenzijde van het anker een noordpool en op de onderzijde van het anker een zuidpool . Wordt nu dit anker in een ander magnetisch veld gebracht b.v. tussen de polen van een elektromagneet (fig. 2) met eveneens een noord- en zuidpool dan zal de geïnduceerde noordpool van het anker door de noordpool van de elektromagneet afgestoten worden. Hetzelfde vindt plaats tussen de zuidpolen.

Hierdoor zal het draaibaar opgehangen anker zich ten opzichte van de poolschoen gaan bewegen. Wanneer de uiteinden van de ankerwikkelingen worden aangesloten op een collector dan zullen, wanneer het anker een halve slag is gedraaid, de borstels van lamel verwisselen en zal de stroomrichting in het anker omkeren met als gevolg dat ook de polen omwisselen . Boven wordt weer een noordpool geïnduceerd en onder weer een zuidpool met als gevolg dat zich de beschreven werking weer herhaalt. De ronddraaiende beweging zal echter maar zeer gebrekkig zijn doordat het „dode" stuk dat tussen de beide polen ligt veel te groot is. Door nu het anker op dezelfde manier te bewikkelen als dat van de dynamo, dus met meerdere series wikkelingen, zal een regelmatiger beweging ontstaan. Constructief gezien is dan ook de startmotor gelijk aan de dynamo, daar ook de bekrachtiging van de poolschoenen op gelijke wijze geschiedt. Het verschil zit echter in de wijze van schakeling. Worden bij de trekker dynamo uitsluitend shuntdynamo's toegepast ( parallel met de borstels geschakeld), bij de startmotor worden uitsluitend seriemotoren aangewend (fig. 2). Deze seriemotoren hebben de eigenschap bij het aanzetten een groot koppel te kunnen ontwikkelen. Dit is een voordeel bij het starten van trekkermotoren, daar bij de eerste omwentelingen de grootste weerstand optreedt. Tijdens het draaien van het anker in het magnetisch veld van de pool schoenen zal in de wikkelingen van het anker een inductie worden opgewekt.

 

Blad 100 — Zie hierbij Afb. A 54

 

Blad 99           Blad 101

Inhoudsopgave

 





Copyright © Gerard Hoogendoorn 2000-2010