CURSUS LANDBOUWTREKKERS

HOOFDSTUK III — MOTOR-ONDERDELEN

 

Zodra de lagers te veel speling ten opzichte van de krukas krijgen, moeten ze vernieuwd worden.

De lagerkappen mag men nooit afvijlen; ook is het sterk af te raden vulling tussen lagerschaal en -kap aan te brengen, omdat de witmetaallaag uiterst dun is. Alleen wanneer oorspronkelijk vulling is aangebracht mag men deze wegnemen.

Wanneer de krukas nog behoorlijk rond is, d.w.z. het verschil beneden .003" (0,08 mm) blijft, kan men lagerschalen met een kleine ondermaat aanbrengen; in sommige gevallen kunnen zelfs standaardmaatlagerschalen toegepast worden.

Bij het pasmaken moet men zo weinig mogelijk aan de nieuwe lagers schrapen, omdat anders de witmetaallaag te dun of zelfs geheel weggenomen kan worden.

In fig. 3 is de controle van een drijfstang afgebeeld. De drijfstang wordt zonder lagers op een passende as geklemd en deze wordt in twee V-blokjes op een vlakplaat geplaatst. Wanneer men nu ook nog een passende as door het zuigerpenlager steekt kan men door middel van een meetklokje controleren of de drijfstang ook verbogen is. Door de drijfstang met de assen vrijwel horizontaal te draaien in de V-blokken, kan men nagaan of de stang ook getordeerd of verwrongen is. Blijkt de dunne as in alle standen evenwijdig aan de vlakplaat te blijven, dan is de stang goed. Is dit niet het geval dan moet de stang koud iets doorgedrukt worden, voor welk karwei zich een hydraulische pers zeer goed leent. Tussen het drijfstanglager en de krukas moet steeds enige speling zijn om de smeerolie gelegenheid te geven tussen deze vlakken te komen. De speling is bij mengselmotoren ± 0,05 mm of .002", bij dieselmotoren ± 0,15 mm of .006 ".

Voor de hoofdlagers is dit meestal 0,08 mm of .003 ". Deze cijfers worden gegeven om enig idee van deze speling te krijgen. In de voorschriften van een bepaalde motor vindt men de juiste waarden.

In fig. 4 is een eenvoudige praktische methode aangegeven om de speling te controleren.

Wanneer men nl. de drijfstang op de krukas heeft aangebracht en de bouten heeft aangetrokken moet de drijfstang zonder smering uit de stand van ± 30° door eigen gewicht langzaam zakken.

Voor de controle van de lagerspeling kan men geen gebruik van voelers maken. In fig. 5 is daarom een andere eenvoudige methode aangegeven. In de onderschaal van het hoofd- of drijfstanglager legt men een plaatje. Bij de Farmall-trekkers is dit van geelkoper en ¼ " breed en 1 " of 15/16 " lang. De dikte hiervan is .003 " (0,08 mm). Na het aandraaien van de bouten draait men de krukas rond en wanneer hierbij nog enige weerstand ontstaat is de lagerspeling nog binnen de toelaatbare grenzen. Voelt men geen weerstand, dan moeten de lagers vernieuwd worden. Bij andere trekkers legt men wel een loden plaatje in de schaal en draait daarna de krukas een weinig heen en weer, waarna de uitgeperste dikte gemeten kan worden met een kleine micrometer. De dikte mag b.v. bij Moline-trekkers .0015 " tot .003 " (0,04—0,08 mm) bedragen. Is de krukas meer dan 0,08 mm ovaal of konisch afgesleten, dan moet deze afgeslepen worden op een slijpbank en moeten lagers met een grote ondermaat toegepast worden.

Bij sommige dieselmotoren gaat men pas tot slijpen van de krukas over wanneer er een slijtage van 0,15 mm is geconstateerd. Het slijpen kan hierbij maar éénmaal plaatsvinden.

 

 

Blad 24 — Zie hierbij Afb. A 10

 

Blad 23           Blad 25

Inhoudsopgave

 





Copyright © Gerard Hoogendoorn 2000-2010